zondag 21 juli 2019

21 juli: Wandeling naar de Hyenakloof

Het was vannacht erg fris op de camping, wat bij mij blijkbaar op mijn blaas werkte, want ik ben wel 5 keer uit de tent geweest. Ole had ook slecht geslapen dus we gingen vanmorgen best wel suffig op pad. Ik had ook wat zitten broeden op het teleurstellende bezoek aan het Maasaidorp van gisteren en het steeds herhalende menu. Ik besloot dat mijn humeur wel beter zou worden als we weer een interessante excursie zouden hebben. We werden niet teleurgesteld, want na een rit van een half uurtje over het vruchtbare platteland namen we gids John aan boord van onze auto. Hij had een grappige, schoolmeesterige stijl van vertellen, een beetje plechtig totdat hij vertelde dat hij ook wat Nederlands kende. Heel grappig om zo’n keurige Afrikaanse mijnheer ineens ‘Van Afrika tot in Amerika’ en ‘Alle kleuren van de regenboog’ (van K3) in bijna accentloos Nederlands te horen zeggen!

John bleek kleinzoon van een soort medicijnman te zijn en wist van alle planten de Latijnse naam en wat je met zo’n plant kon doen.

Al snel in de wandeling vroeg hij ons of we een bepaald soort agave herkenden. We dachten Aloë maar nee, het bleek sisal te zijn. Gelijk demonstreerde hij hoe je van een aantal vezels van de plant een touwtje kon maken. Hij legde een paar reepjes plant op een boomwortel, klemde met een voet een tak er bovenop en trok de reepjes plant er onderdoor tot de vezels los kwamen. Toen maakte hij met Marjon er een vlechtwerkje van en met het gevlochten touwtje rolde hij het op zijn been terwijl hij er een lusje aan maakte. Een armbandje!

Ook liet hij een plant zien waarvan je een poeder kon maken om het effect van beten van slangen en schorpioenen te beperken. Een andere interessante struik was de ‘Sodom’s Apple’ die na de vernietiging van Sodom volgens de bijbel als eerste zou zijn opgekomen. Er zaten vruchten in met een mooi kleurpatroon, als een kerstbal. Na een tijdje worden ze geel, zoals ook op de foto is te zien.

Als mangofans vonden we het ook leuk om een bloeiende mangoboom te zien.

Dat was aan de rand van een bananenplantage. We leerden hier veel meer over bananen dan in Costa Rica! Op de volgende foto is te zien hoe uit een bananenbloem een tros bananen tevoorschijn komt en daarnaast een heel grote rijpende tros.

Onderweg liet John nog een peperplant zien, die in Swahili de gekke peper genoemd wordt. Nando wilde wel proeven en vond het nog net te doen... Die pepers werden daar geplant om olifanten te verjagen! Als er olifanten kwamen, staken ze de peperplanten in brand. Met andere woorden, hier liepen wel eens olifanten! Na de bananenplantage liepen we door een rivierbedding waar nog een klein stroompje doorheen liep. Dat kwam doordat er verderop water werd afgetapt voor irrigatie - vandaar dat de omgeving zoveel landbouw had. De rivierbedding bestond voor een groot deel uit flinke rotsen en dat was nog een heel geklauter! We moesten heel voorzichtig zijn. 

Uiteindelijk bereikten we het einde van de route, een drooggevallen waterval.

In de regentijd staat de rivier trouwens wel vol water. Hier en daar staken daarom flinke boomwortels in de lucht. We keerden nu dus om, weer klauterend over dezelfde rotsblokken. Op een gegeven moment klommen we aan de overkant een steile helling op naar de hyenakloof. We vonden het wel een spannende naam maar schrokken wel een beetje toen John daar in de buurt ging roepen. Het bleek dat de grotten daadwerkelijk door een paar hyena’s werden gebruikt! Ze waren (gelukkig?) niet thuis en zo zagen we diverse botten liggen.

Iets buiten de foto waren er stekels van een stekelvarken. Om niet teveel risico te lopen gingen we daarna snel terug. Iets verderop staken we de rivier over om een kortere weg terug te nemen. Daar scheen de zon flink op dus dat was afzien. Eenmaal op vlak terrein vertelde John over zijn stam. Hij hoorde bij de Iraqw (waarbij de w heel bijzonder werd uitgesproken). In de regio Karatu vormden ze 98 % van de bevolking, zei hij. Ook onze ‘Maasai’-gids van eergisteren was een Iraqw. John vroeg waar wij dachten dat ze oorspronkelijk vandaan kwamen. Irak lag wel erg voor de hand, maar dat was ook echt juist. Als nomaden waren ze in de 3e eeuw of zo met hun vee langzaam maar zeker naar het zuiden getrokken, afhankelijk van waar het gras groener was. Sommige groepen stopten in Somaliland, anderen in Ethiopië en Oeganda en dus een deel in Tanzania. Ze zijn nu in dit land met ongeveer anderhalf miljoen. Omdat ze dus oorspronkelijk uit het Midden-Oosten komen, doet hun taal denken aan het Arabisch. Aangezien ze al voor de geboorte van Mohammed waren vertrokken, zijn ze nooit moslim geweest.

Nadat we John hadden afgezet in Mwo wa Mbu reden we weer terug naar de lodge en aten daar ons lunchpakket. Daarna hebben we echt heel lang met Peter zitten praten. Eerst ging het even over de excursies (waarbij we vertelden wat we van het Maasai-dorp vonden) maar daarna ging het over het werk van een gids en later over de verschillende dieren die we hadden gezien. Hij raakte helemaal enthousiast van onze beelden van de wilde honden, het luipaard, cheeta’s en de vele leeuwen. Het leidde tot een heel college over de zwarte traanstreep onder de ogen van cheeta’s en over de voortplantingsstrategieën van leeuwen. De groep leeuwen met welpjes die we bij het toiletgebouw van de Serengeti hadden gezien, maakten deel uit van de grootste familie leeuwen in de Serengeti, van meer dan dertig leeuwen!

Nadat Peter weer met een klusje was vertrokken ging ik me scheren (voor het eerst sinds een week!) en douchen. De rest speelde UNO en ik ging uiteraard weer met het weblog verder. De maaltijd was friet met een soort kibbeling, een salade en Ole’s groente. En daarna weer verder met UNO en weblog...
Video over Lake Natron, de Maasai en deze dag:

Geen opmerkingen:

Een reactie posten