maandag 4 mei 2015

Terug naar de bewoonde wereld...

Vanmorgen moesten we vroeg opstaan van Ali. Al om 8 uur zaten we weer in zijn Toyota Landcruiser Prado. We stopten al snel weer bij het eerstvolgende kamp. Hier bleken ze een bandenpomp te hebben. Ali vertrouwde zijn linkerachterband niet helemaal. Terecht, bleek later. Vooralsnog werd de band eens flink opgepompt.
We zouden volgens het programma vandaag via het Iriquimeer naar de Oase van Fint rijden. Ik had om de een of andere reden het beeld dat we dan de woestijn uit zouden rijden en langs het water van het meer zouden gaan rijden. In plaats daarvan reden we gewoon door het zand van de woestijn naar het westen. We merkten dat er verschillende soorten zand waren. Stevig grind, hard zand en ook hele stukken zacht zand waar de vierwielaandrijving hard zijn best moest doen. Er waren maar weinig duinen, af en toe wat struiken of acaciaboompjes, maar verder niets of niemand. Na een half uurtje stond er een gebouwtje waar toeristen wat konden drinken en zei Ali 'Iriqui'. Het meer, was dat toch?
Maar het landschap was nog bijna hetzelfde, alleen het zand was nu keihard en rimpelig. Dit was de bodem van het meer. We reden nog een stukje verder en stapten toen uit om foto's te maken.
 De vreemde, keiharde bodem is goed te zien op de volgende foto van Ole.
Hoe Ali zo precies de weg wist in die grote zandvlaktes bleef een raadsel. Maar na een kwartiertje begon er weer wat begroeiing te zijn. Sterker nog, we moesten om een akkerland heen rijden. Er wordt veel gerst verbouwd in woestijngebied. Het gewas kan ook overleven op zilt water.
In deze omgeving met gerstplantages aan de rand van de woestijn woonden veel nomaden in hun tenten van lappendekens. Ali vertelde dat hij dacht dat het mensen die vanwege armoede hun huis hadden verlaten, maar dat lijkt mij niet zo waarschijnlijk. In ieder geval kleden de nomaden zich duidelijk anders dan de andere Marokkanen.
 
 Er waren hier verschillende bodemsoorten. Er waren hier nog steeds wel zandduinen (zoals bij de nomade) maar ook waren er soms stenige heuveltjes. Toen we de basalt-achtige stenen beter bekeken, bleek dat ze vol fossielen zaten.
De fossielen leken wel op elkaar. Het waren diverse soorten grote rupsen, waarschijnlijk zeedieren. Iets verderop zagen we een piepklein nomandententje langs de weg. Er bleken twee kinderen bij te staan die zelf gemaakte dierfiguurtjes en kettingen verkochten. We kochten een kameel.
Langzamerhand verlieten we de woestijn. Het werd bergachtiger en er stonden wat meer acaciabomen. De soms bizarre vormen van de bergen deden wel denken aan Monument Valley en met die acaciabomen ook aan Zuid-Afrika. En tussen die bomen zagen we een groepje dromedarissen. Eentje ervan was opvallend wit. Een soort albino?

Pas rond half twaalf, dus 3,5 uur na ons vertrek uit Chegaga, verlieten we de woestijn. We bereikten een asfaltweg! De N12. En omdat dit gezien de woestijn de makkelijkste plek is om de grenscontroles met het 65 kilometer verder gelegen Algerije uit te voeren, stond er een slagboom. Ali mocht weer al zijn papieren laten zien. Wij hebben trouwens nergens in Marokko onze papieren nodig gehad (behalve bij de hotels).
In het nabij gelegen dorpje Foum Zguid stopten we bij een soort bungalowpark. Het zag er luxe uit, met allemaal vrij staande huisjes, een prachtig zwembad en diverse bomen en  planten. We hadden ondertussen best trek gekregen dus we lieten gelijk de lunch komen, het gebruikelijke driegangenmenu. We zaten sfeervol onder een afdakje direct naast het zwembad. En daarna gingen de kinderen te water. Het was warm en windstil, echt vakantiesfeer.
We moesten nog aardig wat kilometers rijden, dus stapten we rond twee uur weer in de auto. Eerst stopten we nog even bij een benzinestation om de linkerachterband weer wat op te pompen en toen trokken we verder. Aan deze kant van de bergen zagen we weer de vertrouwde bruine dorpjes van leem en natuursteen. Het gebied was heel bergachtig en de wegen slecht. We volgden een rivier die deze winter duidelijk overstroomd was geweest. Langs de kant van de weg lagen overal stenen die door bulldozers aan de kant waren geschoven. Vaak was ook een helft van het asfalt verdwenen. Als we een rivier moesten oversteken, lag er vaak een kapotte brug waar we omheen reden.

Na anderhalf uur bereikten we het dorpje Tazenakht, wat heel bekend is van de tapijtweverijen. We reden een aantal weverijen voorbij en daarna gingen we er eentje bezoeken. We hadden natuurlijk in de Todra-vallei niet zo'n goede ervaring maar hier was de sfeer wat gemoedelijker. Uiteraard kregen we weer thee, twee kopjes zelfs, terwijl een vrouw ondertussen verder ging met weven. Dat was tijdrovend. Een schietspoel was er niet bij. Na elke doorgetrokken draad moest ze deze met een soort kam aandrukken tegen de rest van het tapijt. Uiteraard kregen we daarna de mooiste tapijten te zien.
We reden weer verder het berglandschap in over de P1507.
Eigenlijk was deze weg nog slechter - geen asfalt meer, alleen keitjes. Iets na vijven was het zover, een keitje, poefff fff fff fff en de linkerachterband stond plat. Dus kon Ali zijn tweede band verwisselen deze week.
Ali vertrouwde zijn reservewiel niet erg. Net zoals bij de vorige band, deed hij af en toe tijdens het rijden zijn deur open om te kijken of hij niet leeg liep. We hoefden nog maar een kwartier re rijden naar onze bestemming voor vandaag, de oase van Fint. Bij het eerste bruggetje over de rivier stopte Ali gelijk en constateerde dat de band inderdaad alweer zacht was. Er kwam net een andere Land Cruiser aan en Ali besloot om ons met onze bagage over te zetten. Terwijl Ali aan de buitenkant op de treeplank van deze auto bleef staan, reden we de laatste kilometer naar het hotel. Af en toe reden we vervaarlijk dicht langs een muurtje of een boom, maar Ali kwam heelhuids aan om te kijken of we goed werden ontvangen. Daarna reed hij terug om met zijn auto naar een garage in het nabijgelegen Ouarzazate te rijden.

Het hotel met de fraaie naam La Terrasse des Delices stond heel mooi tegen de bergwand aan. We moesten daarom wel met al onze koffers een flinke trap op klimmen. Zelf sjouwen, dat hadden we deze vakantie nog niet meegemaakt, haha! Het hotel had een paar binnenpleintjes en we verdwaalden daarom bijna in de gangetjes, maar uiteindelijk kregen we twee kamers - een voor de kinderen en een voor de volwassenen. Het was er heel rustig, er waren bijna geen andere toeristen. Omdat het nog vroeg was, gingen Marjon en ik wandelen, naar de rivier. Het hotel lag aan de rand van het dorpje Fint, waar we dus doorheen liepen. Er waren diverse kinderen buiten, die wel gewend waren aan de toeristen want er waren meerdere hotels. Diverse kinderen staken daarom hun hand uit, in de hoop wat te krijgen. Dat was wel een beetje jammer. Maar ondanks de prachtige locatie (een mooie kloof met veel groen) was het lemen dorp duidelijk arm. Aan de oever van de rivier liepen kinderen een bepaald soort planten te snijden.
Er waren diverse kikkers te horen en in het lage water aan de randen zwommen dan ook honderden kikkervisjes. Allemaal heel idyllisch.
We liepen terug door het afbrokkelende dorp, waar ondertussen een buslading Nederlanders werd rondgeleid door een gids. Blijkbaar verbleven ze in een ander hotel, want daarna hebben we ze niet meer gezien.
Rond 19:00 uur liep ik bij de kinderen de kamer binnen. Ze zeiden niets en deden alleen maar SSHT! Ik ging maar weer. Pas later dacht ik eraan: Het was 20:00 uur in Nederland. Dodenherdenking!

Het werd tijd voor het avondeten op het terras en een mooie zonsondergang.

1 opmerking: